09-10-17

Iedereen zijn Lluís Companys


Het kon niet uitblijven. Met het naderen van het Uur U van de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging wordt ook Lluís Companys ingezet. De Catalaanse Martelaar-President is voor vele politieke doelen bruikbaar.


"Als Carles Puigdemont dinsdag de Catalaanse onafhankelijkheid uitroept, dan kan hij eindigen zoals Lluís Companys 83 jaar geleden."
Aldus woordvoerder Pablo Casado van de regerende Partido Popular  tijdens een persconferentie vandaag.

Joan Tardà, woordvoerder in het Spaanse parlement van Esquerra Republicana Catalunya (ERC; in de jaren dertig mede-opgericht door Companys) reageerde op Twitter:
“Ja, Pablo Casado, we weten hoe het afliep met onze President Companys, gefusilleerd door het leger. Maakt het je gelukkig om onze weerloze volk daaraan te herinneren?”

Casado had het over de gevangenisstraf die Companys in 1934 kreeg na het eenzijdig uitroepen van een Catalaanse staat; Tardà over het fusilleren van de Catalaanse president door het Franco-regime in 1940.
De figuur Lluís Companys (1882 -1940) is sinds diens dood vaker ingezet voor eigen politieke doeleinden, zo leert de geschiedenis



Lluís Companys, de 'Catalaanse heethoofd'.
Voor Catalonië!
Op 26 januari 1936 nemen Franco´s troepen Barcelona in. Drie dagen eerder heeft Catalaanse president Lluís Companys met zijn regering de stad verlaten. Begin februari vlucht hij naar Frankrijk.  Op 13 augustus 1940 leest Companys in Vies des Saints (Heiligenlevens) in zijn woning in het Bretonse Baule-les – Pins, die hij deelt met zijn vrouw, Carme Ballester.

Dan gaat de bel. De Gestapo. Companys wordt uitgeleverd aan het Franco-regime en belandt na vijf weken in geïsoleerde gevangenschap in Madrid uiteindelijk in zijn kasteel op de Montjuïc in Barcelona. Het proces daar op 14 oktober duurt 45 minuten. Companys wordt ter dood veroordeeld voor ‘militaire rebellie' en de volgende ochtend gefusilleerd. 'Per Catalunya!' (Voor Catalonië!), roept hij terwijl de geweren knallen. Benjamín Benet, Catalaan en lid van Franco´s Policía Armada (de beruchte ‘grijzen’), geeft hem het genadeschot. 


Lluís Companys op de binnenplaats van het Montjuíc-kasteel, kort voor zijn executie.

In Catalonië kwam de mythe van de Catalan hothead moeizaam tot leven

Dat betekent het einde van het leven van de Catalaanse president, maar ook van diens politieke biografie. Zo werden - onder veel meer - Companys onbesuisde uitroepen van de Catalaanse Staat (1934, de reden van zijn gevangenisstraf), zijn discutabele rol in de sociale revolutie van 1936, en het mislukken daarvan in 1937 irrelevant. Voortaan was Lluís Companys Martelaar-President.



Ruimhartige geste
‘God en de geschiedenis zullen oordelen over zijn daden. Wij Catalanen zullen zijn dood nooit vergeten’, schreef de naar Frankrijk uitgeweken Joan Antoni Güell, in zijn Journal d'un expatrié catalan 1936-45. (1946). 

Een ruimhartige geste van Güell, lid van de befaamde dynastie. De man was immers in 1931 namens de conservatieve Lliga Regionalista burgemeester van Barcelona. Totdat op 14 april 1931 Lluís Companys de Republiek uitriep, nog voor dat dit later die dag in Madrid gebeurde. Plaats van handeling was het balkon van het stadhuis aan het Plaça de Sant Jaume. Binnenin het stadhuis hadden partijgenoten van de ERC Companys even eerder de burgemeesterstaf in handen gedrukt, onder de voorzichtige protesten van Antoni Martínez i Domingo, die de honneurs waarnam voor de afwezige Guëll.

Dodenmis
In Catalonië zelf kwam de mythe van de Catalan hothead (Time, 1936) moeizaam tot leven. In de jaren 40 en 50 herdachten slechts Companys oude ERC-makkers op 15 oktober jaarlijks diens dood, uiteraard clandestien. Pas in de jaren zestig won met de opkomst van de brede verzetsbeweging tegen Franco ook Companys en vooral diens sterven aan belang. In 1965 werd zijn 25ste sterfdag uiteraard nog steeds clandestien maar groots en vooral breed herdacht. Illegale kranten kwamen die dag met artikelen over Companys’ leven en sterven. In de straten van Barcelona verschenen posters met zijn beeltenis. Aan de Diagonal organiseerden de Kapucijnen van het Pompeia-convent een dodenmis.


 Met de komst in 1980 van een eigen parlement hadden de meeste Catalaanse politieke partijen geen behoefte meer aan een eigen nationale martelaar



Een jaar later verscheen de eerste Companys-biografie, geschreven door linkse Catalanist Manuel Viusà. Een Companys-herdenking door linkse Catalinisten en Communisten in Lleida, hoofdstad van Companys thuisprovincie, werd in 1970 door het Franco-regime verijdeld. In de jaren daarna groeide Companys faam als symbool van verzet alleen nog maar. Het was de tijd waarin de roep om de her instelling van het Catalaanse Autonomiestatuut steeds sterker werd, dankzij de impuls van de invloedrijke verzetsbeweging Assemblea de Catalunya.

Grote hoogten
Dat Autonomiestatuut kwam er uiteindelijk in 1980, vijf jaar na de dood van Franco. In
de tussenliggende tijd was Companys ster gestegen tot grote hoogten gestegen. Heel politiek Catalonië, links en rechts, deed mee aan de verering, inclusief de Christen-Democraten van Unió Democràtica de Catalunya (UDC) en Convergència Democràtica de Catalunya (CDC)  liberale partij van Jordi Pujol, de latere president van Catalonië, die later samen als Convergencià i Unió (CIU) zouden optrekken. 


Gedeelte van de Fossar de La Pedrera op de Montjuïc.

Beide partijen waren in 1976 zelfs medeorganisatoren van de Companys-herdenking op de Fossar de La Pedrera, het massagraf op de Montjuïc-heuvel in Barcelona waar het lijk van Companys werd gedumpt - samen met de stoffelijke resten van 1700 anderen door het Franco-regime geëxecuteerden. Twee jaar later, in 1978, bezocht de teruggekeerde president in ballingschap Josep Tarradellas ( hoofd op dat moment van een ‘voorlopige’ Generaliat) op 15 oktober het graf van de man waaronder hij minister was.

Ritueel
Het was het begin van een jaarlijks terugkerend ritueel. Niettemin verloor Companys in de jaren daarna veel van zijn politieke belang. De figuur Companys herinnerden de Catalanen aan de wonden die de Spaanse staat hun land had aangedaan. Toen in 1980 Catalonië ook weer een eigen parlement kreeg, hadden de meeste politieke partijen echter geen behoefte meer aan een eigen nationale martelaar. Bovendien waren de verkiezingen gewonnen door Jordi Pujols CIU, een partij die net als eerder de Lliga Regionalista zich vooral sterk maakte voor een sterk Catalonië binnen Spanje. 

Het mausoleum van Lluìs Companys op de Fossar de La Pedrera.

 In 1991 wist slechts 34 procent van de Catalanen wie Companys was

Companys' eigen ERC speelde jarenlang geen politieke rol van betekenis. Herhaaldelijk pogingen van de partij voor een monument voor de Martelaar-President werden genegeerd, zowel door de CIU-regering als door de socialistische gemeenteraad van Barcelona. In 1991, een jaar na een tamelijk grootscheepse herdenking (tentoonstelling, concerten etc.) van Companys’ 50ste sterfdag wist slechts 34 procent van de Catalaanse bevolking wie hij was, zo bleek uit een onderzoek van de het Catalaanse instituut Fundació Acta.


Precedent
Wel werd tussen 1984 en 1990, zoals eerder beloofd door de Catalaanse autoriteiten, de Fossar de Pedrera herschapen in een monument voor de slachtoffers van het Franco-regime. Pogingen van ERC om diens doodvonnis nietig te laten verklaren stuitten echter op indirect verzet van het Pujol-bewind. In maart 1985 nam het Catalaanse parlement een ontwerp resolutie aan, alhoewel ‘Madrid’ de uiteindelijke bevoegdheid tot nietigverklaring zou hebben. In oktober datzelfde jaar kwam de regering-Pujol echter met eigen resolutie, die de onwettigheid van Companys doodvonnis weliswaar bevestigde, maar tegelijk stelde dat 'de rechten van alle onschuldige slachtoffers van de burgeroorlog – gesymboliseerd door het offers van degene die hun president was geweest – al waren hersteld in het licht van rechtvaardigheid en gelijkheid'.


 Pogingen van ERC om Companys' doodvonnis nietig te laten verklaren stuitten op indirect verzet van het Pujol-bewind


Waarmee een conflict met de centrale regering in Madrid werd voorkomen. Legale nietigverklaring van Companys doodvonnis zou immers een precedent scheppen, met niet te overziene gevolgen voor het Spaanse juridische systeem.


Wet op de Historische Herinnering
De Catalaanse verkiezingen van 2003 maakte een eind aan 23 jaar onafgebroken CIU-hegemonie. In de jaren ernaar deed ERC nieuwe pogingen tot nietigverklaring van Companys doodvonnis, gesteund door de belofte van de socialistische Spaanse premier Rodríguez Zapatero  - wiens grootvader tijdens de burgeroorlog werd gefusilleerd door soldaten van Franco. De premier beloofde te zorgen voor eerherstel voor en steun aan de slachtoffers van het Franco-regime. Zapatero en zijn vice-president Lopéz de Vega kwamen in 2004 zelfs opdraven bij de jaarlijkse Companys-herdenking op de Montjuïc.


De Wet op de Historische Herinnering werd uiteindelijk in december 2007 door het Spaanse parlement geloodst in een sterk verwaterde versie, waarin bijvoorbeeld de financiering van de ontruiming van de talloze massagraven niet was vastgelegd. De ERC-fractie in het parlement stemde tegen, de CIU was voor.
Lluís Companys achter de tralies na de gebeurtenissen van 1934.

Twee jaar later werd de zaak-Companys wat betreft de Zapatero-regering definitief gesloten. Companys werd persoonlijk gerehabiliteerd, maar elke mogelijkheid tot nietigverklaring van het vonnis in de toekomst uitgesloten.

De ERC, op dat moment samen met de IVC en de PSC aan de macht in Catalonië, legde zich hier niet bij neer. in 2013 onderzocht een Argentijnse rechter de Franco-misdaden. Een onderzoek zonder gevolgen tot nu toe. Naar aanleiding van het Argentijnse onderzoek vroeg Interpol de Spaanse regering om uitlevering van voormalige Franco-ministers. De PP-regering legde het verzoek naast zich neer.

Hot hot hot
Driekwart eeuw na zijn dood was de Catalaanse heethoofd plotseling weer hot hot hot, binnen de al oververhitte Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging. Companys grootste bewonderaar kwam in 2015 zelfs uit CDC-kringen:  Artur Mas, op dat moment president van Catalonië. 'Slechts vijf presidenten scheiden mij van Lluís Companys', schreef Mas dat jaar in een artikel getiteld Hommage aan een verdediger van de Catalaanse instituties in de Franse krant Libération van 12 augustus, de datum waarop veertig jaar eerder de arrestatie van Companys plaatsvond. 'Companys’ mandaat was niet gemakkelijk'  stelde Mas. 'President Companys moest niet alleen vechten tegen de fascistische rebellie van Generaal Franco, maar ook tegen een Spaanse regering die weinig respectvol stond tegenover de identiteit van Catalonië en de Catalaanse instituties.'


Misleiding
Op 12 september dit jaar (één dag na ‘La Diada’,  Catalonië’s nationale herdenkingsdag) verklaarde het Spaanse parlement Lluís Companys doodvonnis eindelijk nietig. De Partido Popular, voortkomend uit het Franco-regime, stemde tegen. Companys’ 'eigen' ERC ook, omdat de nietigverklaring geen juridische gevolgen heeft. Daarvoor zou een aanpassing va de Wet op de Historische Herinnering noodzakelijk zijn. "Een misleiding" noemde Joan Tardà de nietigverklaring.


'Madrilenen! Catalonië houdt van jullie.' Propagandaposter van de Catalaanse regering tijdens de Spaanse Burgeroorlog.

“Voor mij is Lluís Companys geen symbool”, zei parlementslid Alicia Sánchez Camacho, jarenlang leider van de PP in Catalonië, de dag van de stemming in het parlement. “En hij was evenmin de president van alle Catalanen.”
 

Dat laatste, vinden vele Catalanen van nu, heeft Carles Puigdemont in ieder geval met zijn illustere voorganger gemeen. 

Barcelona Revisited - speciale fiets- en wandeltours door Barcelona
.


BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

29-09-17

Alle Menschen werden Brüder



“I am a Catalan. Today Catalania is a province of Spain. But before Catalonia was a nation and perhaps the greates nation in the world. I shall tell you why: Catalonia had the first Parliament, long before England did, and it was in Catalonia where there was a start of ‘United Nations’. All authorities of Catalonia met in the XI century at Toluges – today a French city, then belonging to Catalonia – to speak of peace: they invented the Truce of God.”

 Pau Casals in de Algemene Vergadering van de VN, 24 oktober 1971.



Wie zoekt die vindt wat, al is het maar een lege plek. Een oude steengroeve op de Montjuïc in dit geval. Een prachtige locatie voor een Grieks theater, dacht Jean Claude Nicolas Forestier toen hij ergens in 1921 op de plek stuitte. De Franse landschapsarchitect was in die jaren druk met het aanleggen van tuinen op Barcelona’s beroemdste berg. Oorspronkelijke aanleiding was de Exposición de Industrias Eléctricas, een grote tentoonstelling gewijd aan de wonderen der elektriciteit. Deze was oorspronkelijk gepland voor 1917, maar vond uiteindelijk pas plaats in 1929, als de Wereldtentoonstelling van dat jaar. 

Constructie van het Teatre Grec, 1929.

Epidaurus
Voor het Teatre Grec liet architect Ramon Reventós zich inspireren door het befaamde theater van Epidaurus, al is de halfcirkelige orkestbak gemaakt naar Romeins voorbeeld.
Grieks of Romeins drama was het vaak niet, maar tragiek kende het Teatre de la Naturalesa (de naam in de beginjaren) genoeg. Het Poble Espanyol en het lichtfestijn van de Magische Fonteinen bleken veel populairder dan het theater op de toen nog onverlichte Montjuïc. De roerige politieke en economische tijden deden de rest: het Griekse theater was vooral leeg en stil.
 De Catalaanse president Frances Macià (derde van links ) in het Teatre Grec, begin jaren dertig.

Pau Casals
En dat wat het ook op de 19 juli 1936, de dag dat cellist en dirigent Pau Casals hier met zijn orkest een uitvoering had moeten geven van Beethovens Negende Symfonie. Het concert was bedoeld als prelude van de Volks Olympiade, het Catalaanse protest tegen de Olympische Spelen in Nazi-Berlijn. De avond eerder echter werd de laatste repetitie in het Palau de la Música onderbroken door een koerier met een brandbrief van de Catalaanse regering. Het muziekpaleis moest onmiddellijk worden ontruimd, vanwege de dreigende militaire staatsgreep. Casals las de onheilstijding hardop voor en stelde orkest- en koorleden voor de keus: weggaan, of blijven en samen het laatste deel van de symfonie uitvoeren, als een manier om elkaar vaarwel te zeggen, want misschien zouden ze wel nooit meer samen spelen.

Pau Casals (1876-1973):  “Ik ben een Catalaan.”

 Het muziekpaleis moest onmiddellijk worden ontruimd, vanwege de dreigende militaire staatsgreep


Ode an die Freude
Iedereen bleef. In tranen van woede en verdriet dirigeerde Casals het orkest, terwijl het koor in het Catalaans de woorden zong van Schillers Ode an die Freude, “Alle Menschen werden Brüder.” Casals zwoer de symfonie alsnog uit te voeren wanneer de vrede in Catalonië zou zijn teruggekeerd. Op 19 oktober 1938 gaf de cellist een liefdadigheidsconcert in het Liceu-theater, ten bate van de Children’s Aid Society. Het concert, te horen op alle zenders in Republikeins Spanje en later ook op de Amerikaanse radio, was Casals’ laatste optreden op Catalaanse bodem. Januari 1939 ging hij in ballingschap, eerst in Frankrijk, later in Puerto Rico. Daar stief hij in 1973, 96 jaar oud.

In tranen van woede en verdriet dirigeerde Casals het orkest

Zeventig jaar later
Teatre Grec bleef lange tijd ongebruikt, al vonden er tussen 1952 en 1969 wel wat uitvoeringen plaats. Het succes kwam pas in 1976, met de eerste editie van het Festival Grec, waarmee het theater in één klap een belangrijk cultureel podium werd.

 Een reecente voorstelling in het Teatre Grec.


Een van de hoogtepunten vond plaats op 19 juli 2006. Onder de titel Setanta anys després (Zeventig jaar later) dirigeerde de Israëliër Yaron Traub het Jeunesses Musicales World Orchestra, plus de koren Coral Carmina en L’Orfeó Gracienc – het laatste was het koor van zeventig jaar eerder. Op het programma Beethovens Negende. Alle Menschen werden Brüder.


Barcelona Revisited - de leukste wandel- en fietstours door Barcelona!

BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

22-11-16

Zingend naar het einde - de dood van anarchist Santiago Salvador



Als gevolg van de verschrikkelijk leef- en werkomstandigheden, had Barcelona eind 19e eeuw  een van de meest militante arbeidersbewegingen van Europa. Dominant waren de ideeën van het anarchisme, in 1869 in Barcelona geïntroduceerd door de Italiaan Giuseppe Fanelli, aanhanger van de Russische anarchist Bakoenin.
Uitzicht op Barcelona vanaf de Montjuïc-heuvel, rond 1900 (foto: Lluís Girau Iglesias/AFCEC).
In de decennia daarna onderdrukten de autoriteiten de anarchisten steeds meer. Hierdoor gefrustreerd en door het uitblijven van de beloofde revolutie gingen individuele anarchisten over tot terreuraanslagen, gericht op de militairen, de kerk en bourgeois-Barcelona. Twee van de bekendste aanvallen van deze “eenzame tijgers” vonden plaats in het najaar van 1893. 


De eerste aanslag is op 24 september, tijdens een militair defilé aan de Gran Via. Anarchist Paulino Pallàs gooit die dag twee bommen naar het rijtuig van de kapitein-generaal van Catalonië, Arsenio Martínez-Campos. Campos raakt slechts gewond bij de aanslag. Pallàs eindigt voor het vuurpeloton in het kasteel op de Montjuïc. Luttele momenten voor zijn executie waarschuwt Pallàs zijn beulen voor represailles. "De wraak zal gruwelijk zijn."

Willem Tell
Nog geen maand later is het al zover. Plaats van handeling is het Liceu-theater aan de Ramblas, favoriete ontmoetingsplek van bourgeois-Barcelona. Tijdens de tweede akte van Rossini´s opera Willem Tell gooit anarchist (en handelaar in gesmokkelde drank) Santigo Salvador Franch vanaf het balkon twee Orsini-bommen in het publiek. Slechts één van de bommen ontploft. Genoeg voor een slachtpartij (21 doden). De aanslag is internationaal groot nieuws. ‘Dynamiet in Spanje’, kopt de Parijse krant Le Petit Journal op zijn voorpagina.

Wurgpaal
Santiago Salvador ontsnapt, maar wordt vijf maanden later in Zaragoza alsnog opgepakt. Op 21 november 1894, om zes minuten over acht 's morgens sterft hij, 32 jaar oud, aan de wurgpaal voor de Reina Amalia gevangenenis in Barcelona. Kort voor de terechtstelling interviewt advocaat en journalist Tomás Caballé i Clos Salvador in diens cel. Hoe het met zijn geweten is gesteld, vraagt Caballé aan de anarchist.

"We zijn martelaren van de vooruitgang"

“Het achtervolgt me niet”, antwoordt Salvador. “Degenen die in het theater zijn overleden en ik, die zal sterven in de handen van de beul, we zijn martelaren van de Vooruitgang, gedwongen of vrijwillige martelaren van deze nieuwe sociale organisatie die het goede voor allen moet brengen… Ik ging rustig naar huis, ging naar bed en sliep tot de volgende dag. Zelfs mijn vrouw – die van niets wist, de arme – kon  niet enige bezorgdheid aan mijn zien."
Salvador's vrouw wist waarschijnlijk wél dat hij naar het Liceu ging: van haar had hij het geld voor het toegangskaartje (1 peseta) geleend.

Long live Anarchy!
De dag na de aanslag bekijkt de dader vanaf de top van het Columbus-standbeeld de rouwprocessie die over de Rambla trekt. Op zijn hoge standplaats fantaseert Salvador over het gooien van bommen op de rouwenden, zo vertelt hij later na zijn arrestatie.

Santigo Salvador Franch


Schuldbesef of angst is er ook niet bij zijn gerechtstelling. Uit de New York Times van 22 november:

"Franch cried 'Long live Anarchy!' as he was being led to the place of his execution, and scoffed at religion to ths last. A few minutes before he was put to death he began singing, and he continued his song until he was not able to utter a sound.
His body was exposed in its place, in the death chair, until sundown. Great crowds of people gazed upon the distorted features of the dead man, and gloated over his execution, making all sorts of remarks of a character showing their detestation of the man."











BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onze Facebook pagina!

19-07-16

De coup van 1936 in Barcelona - verslag van ooggetuige Albert Helman (2)

De Surinaamse schrijver Albert Helman woonde in Barcelona tijdens de gebeurtenissen van juli 1936. Helman schreef over de Spaanse Burgeroorlog  reportages voor meerdere Nederlandse kranten en tijdschriften. Een aantal werd in 1937 gebundeld en uitgebracht onder de titel De Sfinx van Spanje.  Vandaag deel 2 van zijn ooggetuigeverslag: de gevechten  van 19 en 20 juli.

De  volgende morgen in alle vroegte werd ik gewekt door schoten. Geïsoleerde
knallen en het doffe dreunen van kanonnen in de verte. Daartussen gaapte een doodse
stilte. Geen tram ging voorbij, geen auto. Ik wist uit ervaring wat deze stilte betekende:
Algemene staking. Juanito had dus toch gelijk gehad... Ik snelde de straat op.
Het werd een gedenkwaardige Zondag, een van de drie, vier dagen die een mens
nooit meer vergeet.
Het Plaça de Catalunya, 20 juli 1936.

Daar wij aan de rand van de stad woonden, waren wij volkomen afgesneden. Geen
nieuws drong tot ons door, er viel niet aan concrete berichten te komen. Maar het
dreunen van de kanonnen zei genoeg.
Het werd een gedenkwaardige Zondag, een van de drie, vier dagen die een mens nooit meer vergeet

Alvorens de stad in te gaan, klommen wij op een van de heuvels die naar de
Tibidabo omhoogleiden, en van daar uit konden wij geheel de uitgestrekte stad
overzien. Verscheidene vliegtuigen cirkelden onheilspellend boven de centrale wijken
en rondom het fort Montjuich dat de haven beheerst. Dikke rookpluimen stegen van
verschillende punten op. Brandende kerken! Brandende kloosters! Dikwijls waren
gehele stadswijken door de rook verhuld.
Het Capucijner-convent in het district Sarrià, 19 juli 1936.


Bijwijlen werd zo intensief geschoten, dat er geen twijfel aan kon bestaan of er
werden echte veldslagen geleverd. Het was aangrijpend in de starre, blauwe, van
brandlucht bezwangerde zondagmorgen. De straten beneden ons waren uitgestorven.
Slechts op de heuvel zaten hier en daar nog andere mensen met angstige gezichten
omlaag te staren naar de dreunende stad.


Straatbeeld  in het district Sant Andreu, 19 juli 1936.

Toen wij de heuvel weer afklommen, wisten wij één ding met zekerheid: een tocht
door de stad zou levensgevaarlijk zijn. Maar de onwetendheid, het isolement was
ondraaglijk. Waar was Juanito? Wat deden de overige vrienden en kameraden? Wij
besloten een voorzichtige verkenningstocht te beginnen; hoe hadden wij zo dom
kunnen zijn die nacht naar huis te gaan. Allen hadden het geweten, waren er bijtijds
bij geweest...

Slechts zeer weinig mensen kwamen wij tegen op straat. Haastig en schuw, met
sombere gezichten. Op de kleine Plaza, een kwartier van onze woning verwijderd,
vonden wij enige mannen bijeen op het terras van een klein café, dat maar half
geopend was. De meeste ijzeren rolluiken waren nog neergelaten. Met hun gedempte
stemmen zaten de mannen druk te redeneren. Wij zetten ons in hun buurt om enig
nieuws te kunnen opvangen, doch nadat zij ons wantrouwig van terzijde hadden
aangezien, vervolgden zij met nòg zachtere stem hun gesprek.

De kellner die ons bediende, was hermetisch en afgetrokken. ‘Ik weet van niets.’
zei hij. ‘Er wordt geschoten. Waarschijnlijk een militaire opstand... Iedereen had het
wel kunnen voorspellen dat...’
Hij voltooide zijn zin niet. Er was een plotseling tumult, een auto suisde over het
pleintje en verdween in een andere straat. Op de rugzijde stond met grote ruwe
krijtletters: ‘C.N.T.’ geschreven.
Wat betekende dat? Vlucht? Occupatie?



Een tweede auto kwam aangesuisd. Hij hield midden op het plein stil. Aan alle
kanten loerden geweerlopen naar buiten. Aan alle kanten was het opschrift ‘C.N.T.’
aangebracht. Uit de auto kwamen een man en een vrouw; de overigen bleven zitten,
en spiedden onophoudelijk om zich heen. De man richtte een revolver op onze kleine
groep en riep kort en scherp: ‘Manos arriba!’ (handen omhoog!). De vrouw trad op
ons toe. Zij zwaaide in haar rechterhand een grote hamer. Nooit zal ik het gezicht
van deze jonge arbeidster vergeten. Het was als droeg ze slechts bij toeval haar ruw
zwart kleed. Haar gezicht had een harde, vastberaden uitdrukking. Zij richtte een
vraag die ik niet verstaan kon aan de mannen die met opgeheven handen naar haar toe liepen. 


Thans scheen ook de Sagrada Familia rook uit te slaan, deze vreselijke stenen sigarenkoker van Gaudí

Dan een korte woordenwisseling tussen haar en de inzittenden van de auto, die met dreigende gezichten naar ons keken. En terwijl wij langzaam de handen lieten zakken, zette zich de auto met de revolutionairen weer in beweging. Hij maakte voorzichtig een toer rondom het gehele plein, en verdween dan even plots als hij gekomen was.
Gewapende arbeiders... dat was dus de Revolutie...

Wij stonden op met kloppende harten, konden niet meer drinken van de emotie.
En wij hadden ook geen lust een tweede maal in deze pijnlijke situatie te geraken,
voor het proletariaat waartoe wij zelf behoorden ‘handen omhoog’ te moeten staan.
Als stonden wij aan de andere zijde...
Barricades in Gràca.

Tegelijk met ons verlieten ook de andere lieden het café, en de bezitter liet nu het
laatste rolluik naar beneden ratelen. Het schieten was weer luider geworden, de straten
waren volkomen leeg. Van welke hoek zouden de verdwaalde kogels komen? In
welke straat zou ons plotseling de eerste charge verrassen?

Onze woning lag nog als een veilige burcht tegen zijn heuvelflank. Maar het was
een onrustige nacht die wij er doorbrachten, want er werd nu schier ononderbroken
geschoten, ofschoon het niet zo luid aandeed als overdag. 

20 juli
Maandagochtend was despanning niet meer uit te houden. Het schieten in de nabije verte duurde voort, envan onze heuvel uit zagen wij steeds meer gebouwen in brand. Thans scheen ook deSagrada Familia rook uit te slaan, deze vreselijke stenen sigarenkoker van Gaudí, waarop de Catalanen zo trots zijn, en die eeuwig een moderne ruïne zal blijven,
omdat de ondernemers geen geld meer hebben en wachten moeten totdat de armen
genoeg geschonken hebben om weer verder aan dit monument van wansmaak te
kunnen bouwen.
De Sagrada Família, 20 juli 1936.

 Een steeds dikkere rook steeg op van de voet der torens; het brandde
al urenlang, en een rooknevel hing over de gehele wijk, een uitgesproken
arbeiderswijk. De kerk van Bonanova, vlak bij ons, brandde reeds sinds gisteren; een arbeider op de heuvel enkele huizen daar vandaan woonde, vertelde ons, dat men er wapens en munitie had gevonden.
Alles had ik eerder verwacht, dan dat de kerken tot arsenalen, forten en kazernes zouden dienen, en de kloosters, - zelfs vrouwenkloosters, - tot hoofdkwartieren van de militairen. Toch bleek de waarheid hiervan al aanstonds bij het bezoeken van die
wijken, waaruit de gevechten reeds waren weggeluwd om op andere punten te worden voortgezet. Daar stonden de ooggetuigen en de bezoekers in kleine groepjes bijeen,
en de eersten wezen precies aan, hoe de machinegeweren op de torens en de daken van de kerken opgesteld waren. Zij wezen ons de gaten in de tegenoverliggende muren, die alleen van die punten uit hadden kunnen ontstaan.
De Rambla, 19 juli 1936.

Op de Rambla, een der drukste handelsstraten van de stad, werden de civiele voorbijgangers regelrecht onder vuur genomen van een kerk uit, die zoals kort daarop bleek, door middel vaneen geheime gang met een kantoorgebouw daarnaast verbonden was. De aanval bleek zorgvuldig voorbereid.

Het rechte van wat er gebeurde kwamen wij nog altijd niet te weten. De enkele
mensen die wij spraken, waren er zelf niet achter. Ieder zag slechts het accidentele
van bepaalde straatgevechten, bepaalde overwinningen. Maar omtrent de politieke
betekenis die dit alles bezat, tastten wij nog volkomen in het duister. Die was niet te
overzien.

Des avonds gingen wij wederom naar onze Plaza, die ditmaal drukker bevolkt
bleek. Een troep jonge arbeiders stond er opgewonden te debatteren. Een paar hielden
het blad van een krant in de hand, en in groepjes stonden de anderen er omheen om
mee te kunnen lezen. Wij drongen ertussen, er was eindelijk nieuws!
Het was de ‘Solidaridad Obrera’, het orgaan van de anarchisten. Wij lazen slechts
de opschriften, om in het halfdonker zo snel mogelijk alles te kunnen begrijpen:
‘Arbeiders, bewapent u. Proletarische broeders, trekt als één man op ten oorl... De
verraders, generaal Goded met vier van zijn medeplichtigen, gevangen genomen. Te wapen, kameraden! Ieder melde zich aan bij zijn syndicaat om wapens en munitie te ontvangen. Proletariaat van Catalonië, wij zullen gemeenschappelijk de fascistische rebellen verslaan!’
Juichende militieleden voor het Catalaanse regeringspaleis aan het Plaça de Sant Jaume, 20 juli 1936.

Het blad werd ons uit de handen getrokken, maar wij hadden genoeg gezien.
Plotseling raasde een vrachtauto op ons toe, vol bewapende arbeiders. Maar niemand
op de Plaza was meer bang, het waren ‘de onzen’ die immers de macht in handen
hadden. Men stormde om de vrachtauto heen. - ‘Salud, camaradas! Hebben jullie
kranten?’
Neen, ze hadden er geen. Een korte uitwisseling van indrukken volgde, en de auto
raasde verder. Er kwam er wéér een. Ditmaal vol met blauwe uniformen. Guardia
de Asalto, de spaanse stor-politie. De wagen hield stil, en ik kon nauwelijks mijn
ogen geloven: zij hieven de gebalde vuist op, en groetten: ‘Salud, camaradas!’ Het
was een zeldzame sensatie, deze professionele verdedigers van de machthebbers de
groet te zien brengen van het uitgebuite volk. Toen wij de dag daarop een Guardia
Civil (maréchaussée) een arbeider zagen omhelzen, begon alles op een sprookje te
lijken.


Straatbeeld  vlakbij de oude haven en het standbeeld van Columbus, kort na het neerslaan van de coup.

Toevalligerwijze bemerkten wij in een voorbijrazende auto Juanito, en nog een
andere bekende, Paco. Ook zij hadden ons gezien en stopten. Wij bestormden elkander
met vragen. Paco en Juanito waren beiden bewapend, met revolvers die zij reeds ontzekerd in de hand hielden. Een paar der inzittenden bezaten ook geweren: een jachtgeweer en
een goede karabijn.
‘Vechten jullie niet mee?’ vroeg Juanito met ironische verbazing.
‘Vreemdelingen...’ zei Paco, een tikje verachtelijk.
Maar de mannelijke ijdelheid zette hen over de lichte teleurstelling heen, dat wij slechts toeschouwers gebleven waren. En zij begonnen opgewonden de toedracht van zaken te vertellen.

De officieren van een paar aan de rand van de stad liggende kazernes hadden hun
manschappen getracteerd op cognac, en ze toen de straat op gecommandeerd ‘ter
verdediging van de republiek.’ Bij het universiteitsgebouw vond het eerste treffen
plaats, een tweede troep rukte van het Noorden aan, een derde van de haven uit. Zo
zouden zij het centrum van de stad als het ware kunnen insluiten. Maar de
patrouilledienst der arbeiders had goed gefunctioneerd; uit zijstraten, hoeken en
portieken drongen zij te voorschijn, verschansten zich achter stenen banken en bomen,
en namen de verraste soldaten onder vuur. De officieren voerden licht veldgeschut
en machinegeweren aan; de kanonnen werden door er op los stormende mannen en
vrouwen genomen, die ze veroverden met de blote handen, of met geen ander wapen
dan knuppel en keukenmes.


Toen wij de dag daarop een Guardia Civil  een arbeider zagen omhelzen, begon alles op een sprookje te lijken

‘Hoe zijn jullie dan aan vuurwapens gekomen?’ vroeg ik. ‘Een paar kameraden
uit het havenbedrijf wisten, dat er een schip vol wapens aan een der kaden lag. Dat
schip hebben we met behulp van kameraden van de F.A.I. zondagochtend in alle
vroegte leeggehaald. En toen wij eenmaal de kazernes en de kloosters hadden, waarin
wij stormenderhand zijn binnengedrongen, kwam er genoeg te voorschijn.’

Juanito scheen jaren ouder geworden te zijn in die enkele uren.
‘De twee grootste slagen,’ sprak Paco, de bedaardere, ‘zijn op de Plaza de Cataluña
en in het havenkwartier, bij de Capitanía geleverd, vanwaar de Rebellen het
hoofdcommando voerden. De telefooncentrale is regelrecht belegerd en met
geschutvuur genomen. Maar wij wisten, dat dit gebouw tot elke prijs in onze handen
moest blijven.
Het gehavende Telefonica-gebouw aan het Plaça de Catalunya.

 Aan de overkant hadden de militairen zich in het Hotel Colón sterk
gemaakt. We hebben ze er ook uit gekregen, net als uit de Capitanía.’
‘En hoeveel verliezen?’ vroeg mijn gezel.
Veel. Doden en gewonden tezamen: enige honderden minstens.’
‘Caramba!’
Francisco Ascaso op de Rambla, een paar minuten voor zijn dood.

Bij de haven was Ascaso gevallen, de bekende anarchistenvoorman. C.N.T. en
F.A.I. hadden de morele leiding van de tegenweer gehad. Bijna alle arbeiders droegen
het zwart-rood van de Anarchistische Federatie, en de auto's waren met hún letters
beschilderd. Ook Estat Català (regionalisten) en P.O.U.M. (revolutionaire socialisten)
vielen op. Van de P.S.U. (IIIde Internationale) was aanvankelijk het minst te
bemerken, wat wel merkwaardig is voor een partij die zich later het breedst gemaakt
heeft.

Wij besloten elkander de volgende morgen in de stad te ontmoeten. Een
waanzinnige afspraak. Maar de weg erheen was vol sensaties. Door de lege straten
suisden voortdurend auto's met gewapende arbeiders, vele thans ook bedekt met
matrassen en beddegoed; iedereen voerde zijn eigen nachtlogies met zich mee in
deze bewogen tijd. Men begroette elkaar met luide roepen: ‘Viva la República!’
‘Vivaaaa!!’


Meer info over De Sfinx van Spanje:
http://www.npogeschiedenis.nl/nieuws/boeken/2011/mei/Boek-van-de-week-De-sfinx-van-Spanje.html
http://www.npogeschiedenis.nl/ovt/afleveringen/2011/OVT-08-05-2011/Albert-Helman-en-de-Spaanse-Burgeroorlog.html


Barcelona Revisited - Bijzondere fiets- en wandeltours door Barcelona

BCN BITES - kijk voor meer nieuws over Barcelona en Catalonië op onzeFacebook pagina!